Agenda en uitgaanstips

Evenementen in Nederland

 

16 mei

Film: Riso Amaro

Dante Amsterdam vertoont deze dramafilm uit 1949.

 

1 t/m 3 juni

Het Italiƫ-Evenement

Op Kasteel de Haar in de provincie Utrecht komt iedereen samen die iets met Italiƫ heeft.

 

Feest- en gedenkdagen in Italiƫ

 

25 april

Festa della Liberazione

 

1 mei

Festa del Lavoro

 

2 juni

Festa della Repubblica

 

Lees verder...

Onze statistieken

Vandaag 467
Deze week 1574
Deze maand 10314
Sinds 10-2008 2946569

Staan - Stare




 

 

 

 

In het Italiaans worden de persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij, etc.) meestal weggelaten. Hier staan ze voor de volledigheid wel vermeld.

 

Infinitief Infinito
te staan stare
   
Tegenwoordige tijd Presente
ik sta io sto
jij staat tu stai
hij / zij staat lui / lei sta
wij staan noi stiamo
jullie staan voi state
zij staan loro stanno
   
Tegenwoordig actieve tijd Presente progressive
ik ben aan het staan io sto stando
jij bent aan het staan tu stai stando
hij / zij is aan het staan lui / lei sta stando
wij zijn aan het staan noi stiamo stando
jullie zijn aan het staan voi state stando
zij zijn aan het staan loro stanno stando
   
Verleden tijd Passato
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
ik stond io stavo
jij stond tu stavi
hij / zij stond lui / lei stava
wij stonden noi stavamo
jullie stonden voi stavate
zij stonden loro stavano
   
voltooid tegenwoordige tijd
(nabije verleden)
Passato prossimo
ik heb gestaan io sono stato
jij hebt gestaan tu sei stato
hij / zij heeft gestaan lui / lei é stato
wij hebben gestaan noi siamo stato
jullie hebben gestaan voi siete stato
zij hebben gestaan loro sono stato
   
voltooid tegenwoordige tijd
(verre verleden)
Passato remoto
ik heb gestaan io stetti
jij hebt gestaan tu stesti
hij / zij heeft gestaan lui / lei stette
wij hebben gestaan noi stemmo
jullie hebben gestaan voi steste
zij hebben gestaan loro stettero
   
voltooid verleden tijd
(nabije verleden)
Trapassato prossimo
ik had gestaan io ero stato
jij had gestaan tu eri stato
hij / zij had gestaan lui / lei era stato
wij hadden gestaan noi eravamo stati
jullie hadden gestaan voi eravate stati
zij hadden gestaan loro erano stati
   
voltooid verleden tijd
(verre verleden)
Trapassato remoto
ik had gestaan io fui stato
jij had gestaan tu fosti stato
hij / zij had gestaan lui / lei fu stato
wij hadden gestaan noi fummo stati
jullie hadden gestaan voi foste stati
zij hadden gestaan loro furono stati
   
Toekomende tijd Futuro
Onvoltooid toekomende tijd Futuro semplice
ik zal staan io starņ
jij zal staan tu starai
hij / zij zal staan lui / lei starą
wij zullen staan noi staremo
jullie zullen staan voi starete
zij zullen staan loro staranno
   
voltooid toekomstige tijd Futuro anteriore
ik zal hebben gestaan io sarņ stato
jij zal hebben gestaan tu sarai stato
hij / zij zal hebben gestaan lui / lei sarą stato
wij zullen hebben gestaan noi saremo stati
jullie zullen hebben gestaan voi sarete stati
zij zullen hebben gestaan loro saranno stati
   
Aanvoegende wijs Congiuntivo
Tegenwoordige tijd Presente
dat ik mag staan che io stia
dat je moge staan che tu stia
dat hij / zij moge staan che lui / lei stia
dat wij mogen staan che noi stiamo
dat jullie mogen staan che voi stiate
dat zij mogen staan che loro stiano
   
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
dat ik mocht staan che io stessi
dat je mocht staan che tu stessi
dat hij / zij mocht staan che lui / lei stesse
dat wij mochten staan che noi stessimo
dat jullie mochten staan che voi steste
dat zij mochten staan che loro stessero
   
voltooid tegenwoordige tijd Passato
dat ik heb mogen staan che io sia stato
dat je hebt mogen staan che tu sia stato
dat hij / zij heeft mogen staan che lui / lei sia stato
dat wij hebben mogen staan che noi siamo stati
dat jullie hebben mogen staan che voi siate stati
dat zij hebben mogen staan che loro siano stati
   
voltooid verleden tijd Trapassato
dat ik had mogen staan che io fossi stato
dat je had mogen staan che tu fossi stato
dat hij / zij had mogen staan che lui / lei fosse stato
dat wij hadden mogen staan che noi fossimo stati
dat jullie hadden mogen staan che voi foste stati
dat zij hadden mogen staan che loro fossero stati
   
Voorwaardelijke wijs Condizionale
Tegenwoordige tijd Presente
ik zou staan io starei
jij zou staan tu staresti
hij / zij zou staan lui / lei starebbe
wij zouden staan noi staremmo
jullie zouden staan voi stareste
zij zouden staan loro starebbero
   
Verleden tijd Passato
ik zou hebben gestaan io sarei stato
jij zou hebben gestaan tu saresti stato
hij / zij zou hebben gestaan lui / lei sarebbe stato
wij zouden hebben gestaan noi saremmo stati
jullie zouden hebben gestaan voi sareste stati
zij zouden hebben gestaan loro sarebbero stati
   
Gebiedende wijs Imperativo
sta ! (tu) sta !
sta ! (Lei) stia !
laten we staan ! (noi) stiamo !
sta ! (voi) state !
sta ! (loro) stiano !
   
Deelwoord Participio
tegenwoordige tijd Presente
staande stante
   
Verleden tijd Passato
gestaan hebbende stato
   
Gerundium Gerundio
Tegenwoordige tijd Presente
al staand stando
   
Verleden tijd Passato
gestaan hebbend essendo stato







Citaat van de dag

"Iedere taal geeft een unieke kijk op het leven.
Un linguaggio diverso ĆØ una diversa visione della vita. "
- Federico Fellini -
(1920-1993)

Advertenties

Met de opbrengst van reclame wordt het onderhoud van de site betaald en sparen we voor nieuwe investeringen zoals geluidsbestanden.
Wilt u ook adverteren op deze site?