Agenda en uitgaanstips

Evenementen in Nederland

 

16 mei

Film: Riso Amaro

Dante Amsterdam vertoont deze dramafilm uit 1949.

 

1 t/m 3 juni

Het Italië-Evenement

Op Kasteel de Haar in de provincie Utrecht komt iedereen samen die iets met Italië heeft.

 

Feest- en gedenkdagen in Italië

 

25 april

Festa della Liberazione

 

1 mei

Festa del Lavoro

 

2 juni

Festa della Repubblica

 

Lees verder...

Onze statistieken

Vandaag 209
Deze week 640
Deze maand 9057
Sinds 10-2008 2975324

Praten - Parlare




 

 

In het Italiaans worden de persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij, etc.) meestal weggelaten. Hier staan ze voor de volledigheid wel vermeld.

 

 

Infinitief Infinito
te praten parlare
   
Tegenwoordige tijd Presente
ik praat io parlo
jij praat tu parli
hij / zij praat lui / lei parla
wij praten noi parliamo
jullie praten voi parlate
zij praten loro parlano
   
Tegenwoordig actieve tijd Presente progressive
ik ben aan het praten io sto parlando
jij bent aan het praten tu stai parlando
hij / zij is aan het praten lui / lei sta parlando
wij zijn aan het praten noi stiamo parlando
jullie zijn aan het praten voi state parlando
zij zijn aan het praten loro stanno parlando
   
Verleden tijd Passato
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
ik praatte io parlavo
jij praatte tu parlavi
hij / zij praatte lui / lei parlava
wij praatten noi parlavamo
jullie praatten voi parlavate
zij praatten loro parlavano
   
Voltooid tegenwoordige tijd
(nabije verleden)
Passato prossimo
ik heb gepraat io ho parlato
jij hebt gepraat tu hai parlato
hij / zij heeft gepraat lui / lei ha parlato
wij hebben gepraat noi abbiamo parlato
jullie hebben gepraat voi avete parlato
zij hebben gepraat loro hanno parlato
   
Voltooid tegenwoordige tijd
(verre verleden)
Passato remoto
ik heb gepraat io parlai
jij hebt gepraat tu parlasti
hij / zij heeft gepraat lui / lei parlò
wij hebben gepraat noi parlammo
jullie hebben gepraat voi parlaste
zij hebben gepraat loro parlarono
   
Voltooid verleden tijd
(nabije verleden)
Trapassato prossimo
ik had gepraat io avevo parlato
jij had gepraat tu avevi parlato
hij / zij had gepraat lui / lei aveva parlato
wij hadden gepraat noi avevamo parlato
jullie hadden gepraat voi avevate parlato
zij hadden gepraat loro avevano parlato
   
Voltooid verleden tijd
(verre verleden)
Trapassato remoto
ik had gepraat io ebbi parlato
jij had gepraat tu avesti parlato
hij / zij had gepraat lui / lei ebbe parlato
wij hadden gepraat noi avemmo parlato
jullie hadden gepraat voi aveste parlato
zij hadden gepraat loro ebbero parlato
   
Toekomende tijd Futuro
Onvoltooid toekomende tijd Futuro semplice
ik zal praten io parlerò
jij zal praten tu parlerai
hij / zij zal praten lui / lei parlerà
wij zullen praten noi parleremo
jullie zullen praten voi parlerete
zij zullen praten loro parleranno
   
Voltooid toekomstige tijd Futuro anteriore
ik zal hebben gepraat io avrò parlato
jij zal hebben gepraat tu avrai parlato
hij / zij zal hebben gepraat lui / lei avrà parlato
wij zullen hebben gepraat noi avremo parlato
jullie zullen hebben gepraat voi avrete parlato
zij zullen hebben gepraat loro avranno parlato
   
Aanvoegende wijs Congiuntivo
Tegenwoordige tijd Presente
dat ik praat che io parli
dat je praat che tu parli
dat hij / zij praat che lui / lei parli
dat wij praten che noi parliamo
dat jullie praten che voi parliate
dat zij praten che loro parlino
   
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
dat ik praatte che io parlassi
dat je praatte che tu parlassi
dat hij / zij praatte che lui / lei parlasse
dat wij praatten che noi parlassimo
dat jullie praatten che voi parlaste
dat zij praatten che loro parlassero
   
Voltooid tegenwoordige tijd Passato
dat ik heb gepraat che io abbia parlato
dat je hebt gepraat che tu abbia parlato
dat hij / zij heeft gepraat che lui / lei abbia parlato
dat wij hebben gepraat che noi abbiamo parlato
dat jullie hebben gepraat che voi abbiate parlato
dat zij hebben gepraat che loro abbiano parlato
   
Voltooid verleden tijd Trapassato
dat ik had gepraat che io avessi parlato
dat je had gepraat che tu avessi parlato
dat hij / zij had gepraat che lui / lei avesse parlato
dat wij hadden gepraat che noi avessimo parlato
dat jullie hadden gepraat che voi aveste parlato
dat zij hadden gepraat che loro avessero parlato
   
Voorwaardelijke wijs Condizionale
Tegenwoordige tijd Presente
ik zou praten io parlerei
jij zou praten tu parleresti
hij / zij zou praten lui / lei parlerebbe
wij zouden praten noi parleremmo
jullie zouden praten voi parlereste
zij zouden praten loro parlerebbero
   
Verleden tijd Passato
ik zou hebben gepraat io avrei parlato
jij zou hebben gepraat tu avresti parlato
hij / zij zou hebben gepraat lui / lei avrebbe parlato
wij zouden hebben gepraat noi avremmo parlato
jullie zouden hebben gepraat voi avreste parlato
zij zouden hebben gepraat loro avrebbero parlato
   
Gebiedende wijs Imperativo
praat ! (tu) parla !
praat ! (Lei) parli !
laten we praten ! (noi) parliamo !
praat ! (voi) parlate !
praat ! (loro) parlino !
   
Deelwoord Participio
tegenwoordige tijd Presente
pratende parlante
   
Verleden tijd Passato
gepraat hebbende parlato
   
Gerundium Gerundio
Tegenwoordige tijd Presente
al pratend parlando
   
Verleden tijd Passato
gepraat hebbend avendo parlato







Citaat van de dag

"De grenzen van mijn taal vormen de grenzen van mijn wereld.
I limiti del mio linguaggio significano i limiti del mio mondo. "
- Ludwig Wittgenstein -
(1889-1951)

Advertenties

Met de opbrengst van reclame wordt het onderhoud van de site betaald en sparen we voor nieuwe investeringen zoals geluidsbestanden.
Wilt u ook adverteren op deze site?