Agenda en uitgaanstips

Evenementen in Nederland

 

16 mei

Film: Riso Amaro

Dante Amsterdam vertoont deze dramafilm uit 1949.

 

1 t/m 3 juni

Het Italië-Evenement

Op Kasteel de Haar in de provincie Utrecht komt iedereen samen die iets met Italië heeft.

 

Feest- en gedenkdagen in Italië

 

25 april

Festa della Liberazione

 

1 mei

Festa del Lavoro

 

2 juni

Festa della Repubblica

 

Lees verder...

Onze statistieken

Vandaag 491
Deze week 1598
Deze maand 10338
Sinds 10-2008 2946593

Maken - Fare




 

 

In het Italiaans worden de persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij, etc.) meestal weggelaten. Hier staan ze voor de volledigheid wel vermeld.

 

 

Infinitief Infinito
te maken fare
   
Tegenwoordige tijd Presente
ik maak io faccio, fò
jij maakt tu fai
hij / zij maakt lui / lei fa
wij maken noi facciamo
jullie maken voi fate
zij maken loro fanno
   
Tegenwoordig actieve tijd Presente progressive
ik ben aan het maken io sto facendo
jij bent aan het maken tu stai facendo
hij / zij is aan het maken lui / lei sta facendo
wij zijn aan het maken noi stiamo facendo
jullie zijn aan het maken voi state facendo
zij zijn aan het maken loro stanno facendo
   
Verleden tijd Passato
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
ik maakte io facevo
jij maakte tu facevi
hij / zij maakte lui / lei faceva
wij maakten noi facevamo
jullie maakten voi facevate
zij maakten loro facevano
   
Voltooid tegenwoordige tijd
(nabije verleden)
Passato prossimo
ik heb gemaakt io ho fatto
jij hebt gemaakt tu hai fatto
hij / zij heeft gemaakt lui / lei ha fatto
wij hebben gemaakt noi abbiamo fatto
jullie hebben gemaakt voi avete fatto
zij hebben gemaakt loro hanno fatto
   
Voltooid tegenwoordige tijd
(verre verleden)
Passato remoto
ik heb gemaakt io feci
jij hebt gemaakt tu facesti
hij / zij heeft gemaakt lui / lei fece
wij hebben gemaakt noi facemmo
jullie hebben gemaakt voi faceste
zij hebben gemaakt loro fecero
   
Voltooid verleden tijd
(nabije verleden)
Trapassato prossimo
ik had gemaakt io avevo fatto
jij had gemaakt tu avevi fatto
hij / zij had gemaakt lui / lei aveva fatto
wij hadden gemaakt noi avevamo fatto
jullie hadden gemaakt voi avevate fatto
zij hadden gemaakt loro avevano fatto
   
Voltooid verleden tijd
(verre verleden)
Trapassato remoto
ik had gemaakt io ebbi fatto
jij had gemaakt tu avesti fatto
hij / zij had gemaakt lui / lei ebbe fatto
wij hadden gemaakt noi avemmo fatto
jullie hadden gemaakt voi aveste fatto
zij hadden gemaakt loro ebbero fatto
   
Toekomende tijd Futuro
Onvoltooid toekomende tijd Futuro semplice
ik zal maken io farò
jij zal maken tu farai
hij / zij zal maken lui / lei farà
wij zullen maken noi faremo
jullie zullen maken voi farete
zij zullen maken loro faranno
   
Voltooid toekomstige tijd Futuro anteriore
ik zal hebben gemaakt io avrò fatto
jij zal hebben gemaakt tu avrai fatto
hij / zij zal hebben gemaakt lui / lei avrà fatto
wij zullen hebben gemaakt noi avremo fatto
jullie zullen hebben gemaakt voi avrete fatto
zij zullen hebben gemaakt loro avranno fatto
   
Aanvoegende wijs Congiuntivo
Tegenwoordige tijd Presente
dat ik maak che io faccia
dat je maakt che tu faccia
dat hij / zij maakt che lui / lei faccia
dat wij maken che noi facciamo
dat jullie maken che voi facciate
dat zij maken che loro facciano
   
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
dat ik maakte che io facessi
dat je maakte che tu facessi
dat hij / zij maakte che lui / lei facesse
dat wij maakten che noi facessimo
dat jullie maakten che voi faceste
dat zij maakten che loro facessero
   
Voltooid tegenwoordige tijd Passato
dat ik heb gemaakt che io abbia fatto
dat je hebt gemaakt che tu abbia fatto
dat hij / zij heeft gemaakt che lui / lei abbia fatto
dat wij hebben gemaakt che noi abbiamo fatto
dat jullie hebben gemaakt che voi abbiate fatto
dat zij hebben gemaakt che loro abbiano fatto
   
Voltooid verleden tijd Trapassato
dat ik had gemaakt che io avessi fatto
dat je had gemaakt che tu avessi fatto
dat hij / zij had gemaakt che lui / lei avesse fatto
dat wij hadden gemaakt che noi avessimo fatto
dat jullie hadden gemaakt che voi aveste fatto
dat zij hadden gemaakt che loro avessero fatto
   
Voorwaardelijke wijs Condizionale
Tegenwoordige tijd Presente
ik zou maken io farei
jij zou maken tu faresti
hij / zij zou maken lui / lei farebbe
wij zouden maken noi faremmo
jullie zouden maken voi fareste
zij zouden maken loro farebbero
   
Verleden tijd Passato
ik zou hebben gemaakt io avrei fatto
jij zou hebben gemaakt tu avresti fatto
hij / zij zou hebben gemaakt lui / lei avrebbe fatto
wij zouden hebben gemaakt noi avremmo fatto
jullie zouden hebben gemaakt voi avreste fatto
zij zouden hebben gemaakt loro avrebbero fatto
   
Gebiedende wijs Imperativo
maak ! (tu) fa, fai, fa'
maak ! (Lei) faccia
laten we maken ! (noi) facciamo
maak ! (voi) fate
maak ! (loro) facciano
   
Deelwoord Participio
tegenwoordige tijd Presente
makende facente
   
Verleden tijd Passato
gemaakt hebbende fatto
   
Gerundium Gerundio
Tegenwoordige tijd Presente
al makend facendo
   
Verleden tijd Passato
gemaakt hebbend avendo fatto







Citaat van de dag

"Iedere taal geeft een unieke kijk op het leven.
Un linguaggio diverso è una diversa visione della vita. "
- Federico Fellini -
(1920-1993)

Advertenties

Met de opbrengst van reclame wordt het onderhoud van de site betaald en sparen we voor nieuwe investeringen zoals geluidsbestanden.
Wilt u ook adverteren op deze site?