Agenda en uitgaanstips

Evenementen in Nederland

 

16 mei

Film: Riso Amaro

Dante Amsterdam vertoont deze dramafilm uit 1949.

 

1 t/m 3 juni

Het Italië-Evenement

Op Kasteel de Haar in de provincie Utrecht komt iedereen samen die iets met Italië heeft.

 

Feest- en gedenkdagen in Italië

 

25 april

Festa della Liberazione

 

1 mei

Festa del Lavoro

 

2 juni

Festa della Repubblica

 

Lees verder...

Onze statistieken

Vandaag 188
Deze week 619
Deze maand 9036
Sinds 10-2008 2975303

Leven - Vivere




 

 

In het Italiaans worden de persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij, etc.) meestal weggelaten. Hier staan ze voor de volledigheid wel vermeld.

 

 

Infinitief Infinito
te leven vivere
   
Tegenwoordige tijd Presente
ik leef io vivo
jij leeft tu vivi
hij / zij leeft lui / lei vive
wij leven noi viviamo
jullie leven voi vivete
zij leven loro vivono
   
Tegenwoordig actieve tijd Presente progressive
ik ben aan het leven io sto vivendo
jij bent aan het leven tu stai vivendo
hij / zij is aan het leven lui / lei sta vivendo
wij zijn aan het leven noi stiamo vivendo
jullie zijn aan het leven voi state vivendo
zij zijn aan het leven loro stanno vivendo
   
Verleden tijd Passato
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
ik leefde io vivevo
jij leefde tu vivevi
hij / zij leefde lui / lei viveva
wij leefden noi vivevamo
jullie leefden voi vivevate
zij leefden loro vivevano
   
Voltooid tegenwoordige tijd
(nabije verleden)
Passato prossimo
ik heb geleefd io ho vissuto
jij hebt geleefd tu hai vissuto
hij / zij heeft geleefd lui / lei ha vissuto
wij hebben geleefd noi abbiamo vissuto
jullie hebben geleefd voi avete vissuto
zij hebben geleefd loro hanno vissuto
   
Voltooid tegenwoordige tijd
(verre verleden)
Passato remoto
ik heb geleefd io vissi
jij hebt geleefd tu vivesti
hij / zij heeft geleefd lui / lei visse
wij hebben geleefd noi vivemmo
jullie hebben geleefd voi viveste
zij hebben geleefd loro vissero
   
Voltooid verleden tijd
(nabije verleden)
Trapassato prossimo
ik had geleefd io avevo vissuto
jij had geleefd tu avevi vissuto
hij / zij had geleefd lui / lei aveva vissuto
wij hadden geleefd noi avevamo vissuto
jullie hadden geleefd voi avevate vissuto
zij hadden geleefd loro avevano vissuto
   
Voltooid verleden tijd
(verre verleden)
Trapassato remoto
ik had geleefd io ebbi vissuto
jij had geleefd tu avesti vissuto
hij / zij had geleefd lui / lei ebbe vissuto
wij hadden geleefd noi avemmo vissuto
jullie hadden geleefd voi aveste vissuto
zij hadden geleefd loro ebbero vissuto
   
Toekomende tijd Futuro
Onvoltooid toekomende tijd Futuro semplice
ik zal leven io vivrò
jij zal leven tu vivrai
hij / zij zal leven lui / lei vivrà
wij zullen leven noi vivremo
jullie zullen leven voi vivrete
zij zullen leven loro vivranno
   
Voltooid toekomstige tijd Futuro anteriore
ik zal hebben geleefd io avrò vissuto
jij zal hebben geleefd tu avrai vissuto
hij / zij zal hebben geleefd lui / lei avrà vissuto
wij zullen hebben geleefd noi avremo vissuto
jullie zullen hebben geleefd voi avrete vissuto
zij zullen hebben geleefd loro avranno vissuto
   
Aanvoegende wijs Congiuntivo
Tegenwoordige tijd Presente
dat ik mag leven che io viva
dat je moge leven che tu viva
dat hij / zij moge leven che lui / lei viva
dat wij mogen leven che noi viviamo
dat jullie mogen leven che voi viviate
dat zij mogen leven che loro vivano
   
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
dat ik mocht leven che io vivessi
dat je mocht leven che tu vivessi
dat hij / zij mocht leven che lui / lei vivesse
dat wij mochten leven che noi vivessimo
dat jullie mochten leven che voi viveste
dat zij mochten leven che loro vivessero
   
Voltooid tegenwoordige tijd Passato
dat ik heb mogen leven che io abbia vissuto
dat je hebt mogen leven che tu abbia vissuto
dat hij / zij heeft mogen leven che lui / lei abbia vissuto
dat wij hebben mogen leven che noi abbiamo vissuto
dat jullie hebben mogen leven che voi abbiate vissuto
dat zij hebben mogen leven che loro abbiano vissuto
   
Voltooid verleden tijd Trapassato
dat ik had mogen leven che io avessi vissuto
dat je had mogen leven che tu avessi vissuto
dat hij / zij had mogen leven che lui / lei avesse vissuto
dat wij hadden mogen leven che noi avessimo vissuto
dat jullie hadden mogen leven che voi aveste vissuto
dat zij hadden mogen leven che loro avessero vissuto
   
Voorwaardelijke wijs Condizionale
Tegenwoordige tijd Presente
ik zou leven io vivrei
jij zou leven tu vivresti
hij / zij zou leven lui / lei vivrebbe
wij zouden leven noi vivremmo
jullie zouden leven voi vivreste
zij zouden leven loro vivrebbero
   
Verleden tijd Passato
ik zou hebben geleefd io avrei vissuto
jij zou hebben geleefd tu avresti vissuto
hij / zij zou hebben geleefd lui / lei avrebbe vissuto
wij zouden hebben geleefd noi avremmo vissuto
jullie zouden hebben geleefd voi avreste vissuto
zij zouden hebben geleefd loro avrebbero vissuto
   
Gebiedende wijs Imperativo
leef ! (tu) vivi !
leef ! (Lei) viva !
laten we leven ! (noi) viviamo !
leef ! (voi) vivete !
leef ! (loro) vivano !
   
Deelwoord Participio
tegenwoordige tijd Presente
levende vivente
   
Verleden tijd Passato
geleefd hebbende vissuto
   
Gerundium Gerundio
Tegenwoordige tijd Presente
al levend vivendo
   
Verleden tijd Passato
geleefd hebbend avendo vissuto







Citaat van de dag

"De grenzen van mijn taal vormen de grenzen van mijn wereld.
I limiti del mio linguaggio significano i limiti del mio mondo. "
- Ludwig Wittgenstein -
(1889-1951)

Advertenties

Met de opbrengst van reclame wordt het onderhoud van de site betaald en sparen we voor nieuwe investeringen zoals geluidsbestanden.
Wilt u ook adverteren op deze site?