Agenda en uitgaanstips

Evenementen in Nederland

 

16 mei

Film: Riso Amaro

Dante Amsterdam vertoont deze dramafilm uit 1949.

 

1 t/m 3 juni

Het Italië-Evenement

Op Kasteel de Haar in de provincie Utrecht komt iedereen samen die iets met Italië heeft.

 

Feest- en gedenkdagen in Italië

 

25 april

Festa della Liberazione

 

1 mei

Festa del Lavoro

 

2 juni

Festa della Repubblica

 

Lees verder...

Onze statistieken

Vandaag 207
Deze week 638
Deze maand 9055
Sinds 10-2008 2975322

Lachen - Ridere




 

 

In het Italiaans worden de persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij, etc.) meestal weggelaten. Hier staan ze voor de volledigheid wel vermeld.

 

 

Infinitief Infinito
te lachen ridere
   
Tegenwoordige tijd Presente
ik lach io rido
jij lacht tu ridi
hij / zij lacht lui / lei ride
wij lachen noi ridiamo
jullie lachen voi ridete
zij lachen loro ridono
   
Tegenwoordig actieve tijd Presente progressive
ik ben aan het lachen io sto ridendo
jij bent aan het lachen tu stai ridendo
hij / zij is aan het lachen lui / lei sta ridendo
wij zijn aan het lachen noi stiamo ridendo
jullie zijn aan het lachen voi state ridendo
zij zijn aan het lachen loro stanno ridendo
   
Verleden tijd Passato
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
ik lachte io ridevo
jij lachte tu ridevi
hij / zij lachte lui / lei rideva
wij lachten noi ridevamo
jullie lachten voi ridevate
zij lachten loro ridevano
   
Voltooid tegenwoordige tijd
(nabije verleden)
Passato prossimo
ik heb gelachen io ho riso
jij hebt gelachen tu hai riso
hij / zij heeft gelachen lui / lei ha riso
wij hebben gelachen noi abbiamo riso
jullie hebben gelachen voi avete riso
zij hebben gelachen loro hanno riso
   
Voltooid tegenwoordige tijd
(verre verleden)
Passato remoto
ik heb gelachen io risi
jij hebt gelachen tu ridesti
hij / zij heeft gelachen lui / lei rise
wij hebben gelachen noi ridemmo
jullie hebben gelachen voi rideste
zij hebben gelachen loro risero
   
Voltooid verleden tijd
(nabije verleden)
Trapassato prossimo
ik had gelachen io avevo riso
jij had gelachen tu avevi riso
hij / zij had gelachen lui / lei aveva riso
wij hadden gelachen noi avevamo riso
jullie hadden gelachen voi avevate riso
zij hadden gelachen loro avevano riso
   
Voltooid verleden tijd
(verre verleden)
Trapassato remoto
ik had gelachen io ebbi riso
jij had gelachen tu avesti riso
hij / zij had gelachen lui / lei ebbe riso
wij hadden gelachen noi avemmo riso
jullie hadden gelachen voi aveste riso
zij hadden gelachen loro ebbero riso
   
Toekomende tijd Futuro
Onvoltooid toekomende tijd Futuro semplice
ik zal lachen io riderò
jij zal lachen tu riderai
hij / zij zal lachen lui / lei riderà
wij zullen lachen noi rideremo
jullie zullen lachen voi riderete
zij zullen lachen loro rideranno
   
Voltooid toekomstige tijd Futuro anteriore
ik zal hebben gelachen io avrò riso
jij zal hebben gelachen tu avrai riso
hij / zij zal hebben gelachen lui / lei avrà riso
wij zullen hebben gelachen noi avremo riso
jullie zullen hebben gelachen voi avrete riso
zij zullen hebben gelachen loro avranno riso
   
Aanvoegende wijs Congiuntivo
Tegenwoordige tijd Presente
dat ik lach che io rida
dat je lacht che tu rida
dat hij / zij lacht che lui / lei rida
dat wij lachen che noi ridiamo
dat jullie lachen che voi ridiate
dat zij lachen che loro ridano
   
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
dat ik lachte che io ridessi
dat je lachte che tu ridessi
dat hij / zij lachte che lui / lei ridesse
dat wij lachten che noi ridessimo
dat jullie lachten che voi rideste
dat zij lachten che loro ridessero
   
Voltooid tegenwoordige tijd Passato
dat ik heb gelachen che io abbia riso
dat je hebt gelachen che tu abbia riso
dat hij / zij heeft gelachen che lui / lei abbia riso
dat wij hebben gelachen che noi abbiamo riso
dat jullie hebben gelachen che voi abbiate riso
dat zij hebben gelachen che loro abbiano riso
   
Voltooid verleden tijd Trapassato
dat ik had gelachen che io avessi riso
dat je had gelachen che tu avessi riso
dat hij / zij had gelachen che lui / lei avesse riso
dat wij hadden gelachen che noi avessimo riso
dat jullie hadden gelachen che voi aveste riso
dat zij hadden gelachen che loro avessero riso
   
Voorwaardelijke wijs Condizionale
Tegenwoordige tijd Presente
ik zou lachen io riderei
jij zou lachen tu rideresti
hij / zij zou lachen lui / lei riderebbe
wij zouden lachen noi rideremmo
jullie zouden lachen voi ridereste
zij zouden lachen loro riderebbero
   
Verleden tijd Passato
ik zou hebben gelachen io avrei riso
jij zou hebben gelachen tu avresti riso
hij / zij zou hebben gelachen lui / lei avrebbe riso
wij zouden hebben gelachen noi avremmo riso
jullie zouden hebben gelachen voi avreste riso
zij zouden hebben gelachen loro avrebbero riso
   
Gebiedende wijs Imperativo
lach ! (tu) ridi !
lach ! (Lei) rida !
laten we lachen ! (noi) ridiamo !
lach ! (voi) ridete !
lach ! (loro) ridano !
   
Deelwoord Participio
tegenwoordige tijd Presente
lachende ridente
   
Verleden tijd Passato
gelachen hebbende riso
   
Gerundium Gerundio
Tegenwoordige tijd Presente
al lachend ridendo
   
Verleden tijd Passato
gelachen hebbend avendo riso







Citaat van de dag

"De grenzen van mijn taal vormen de grenzen van mijn wereld.
I limiti del mio linguaggio significano i limiti del mio mondo. "
- Ludwig Wittgenstein -
(1889-1951)

Advertenties

Met de opbrengst van reclame wordt het onderhoud van de site betaald en sparen we voor nieuwe investeringen zoals geluidsbestanden.
Wilt u ook adverteren op deze site?