Agenda en uitgaanstips

Evenementen in Nederland

 

16 mei

Film: Riso Amaro

Dante Amsterdam vertoont deze dramafilm uit 1949.

 

1 t/m 3 juni

Het Italië-Evenement

Op Kasteel de Haar in de provincie Utrecht komt iedereen samen die iets met Italië heeft.

 

Feest- en gedenkdagen in Italië

 

25 april

Festa della Liberazione

 

1 mei

Festa del Lavoro

 

2 juni

Festa della Repubblica

 

Lees verder...

Onze statistieken

Vandaag 478
Deze week 1585
Deze maand 10325
Sinds 10-2008 2946580

Eten - Mangiare




 

 

In het Italiaans worden de persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij, etc.) meestal weggelaten. Hier staan ze voor de volledigheid wel vermeld.

 

 

Infinitief Infinito
te eten mangiare
   
Tegenwoordige tijd Presente
ik eet io mangio
jij eet tu mangi
hij / zij eet lui / lei mangia
wij eten noi mangiamo
jullie eten voi mangiate
zij eten loro mangiano
   
Tegenwoordig actieve tijd Presente progressive
ik ben aan het eten io sto mangiando
jij bent aan het eten tu stai mangiando
hij / zij is aan het eten lui / lei sta mangiando
wij zijn aan het eten noi stiamo mangiando
jullie zijn aan het eten voi state mangiando
zij zijn aan het eten loro stanno mangiando
   
Verleden tijd Passato
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
ik at io mangiavo
jij at tu mangiavi
hij / zij at lui / lei mangiava
wij aten noi mangiavamo
jullie aten voi mangiavate
zij aten loro mangiavano
   
Voltooid tegenwoordige tijd
(nabije verleden)
Passato prossimo
ik heb gegeten io ho mangiato
jij hebt gegeten tu hai mangiato
hij / zij heeft gegeten lui / lei ha mangiato
wij hebben gegeten noi abbiamo mangiato
jullie hebben gegeten voi avete mangiato
zij hebben gegeten loro hanno mangiato
   
Voltooid tegenwoordige tijd
(verre verleden)
Passato remoto
ik heb gegeten io mangiai
jij hebt gegeten tu mangiasti
hij / zij heeft gegeten lui / lei mangiò
wij hebben gegeten noi mangiammo
jullie hebben gegeten voi mangiaste
zij hebben gegeten loro mangiarono
   
Voltooid verleden tijd
(nabije verleden)
Trapassato prossimo
ik had gegeten io avevo mangiato
jij had gegeten tu avevi mangiato
hij / zij had gegeten lui / lei aveva mangiato
wij hadden gegeten noi avevamo mangiato
jullie hadden gegeten voi avevate mangiato
zij hadden gegeten loro avevano mangiato
   
Voltooid verleden tijd
(verre verleden)
Trapassato remoto
ik had gegeten io ebbi mangiato
jij had gegeten tu avesti mangiato
hij / zij had gegeten lui / lei ebbe mangiato
wij hadden gegeten noi avemmo mangiato
jullie hadden gegeten voi aveste mangiato
zij hadden gegeten loro ebbero mangiato
   
Toekomende tijd Futuro
Onvoltooid toekomende tijd Futuro semplice
ik zal eten io mangerò
jij zal eten tu mangerai
hij / zij zal eten lui / lei mangerà
wij zullen eten noi mangeremo
jullie zullen eten voi mangerete
zij zullen eten loro mangeranno
   
Voltooid toekomstige tijd Futuro anteriore
ik zal hebben gegeten io avrò mangiato
jij zal hebben gegeten tu avrai mangiato
hij / zij zal hebben gegeten lui / lei avrà mangiato
wij zullen hebben gegeten noi avremo mangiato
jullie zullen hebben gegeten voi avrete mangiato
zij zullen hebben gegeten loro avranno mangiato
   
Aanvoegende wijs Congiuntivo
Tegenwoordige tijd Presente
dat ik eet che io mangi
dat je eet che tu mangi
dat hij / zij eet che lui / lei mangi
dat wij eten che noi mangiamo
dat jullie eten che voi mangiate
dat zij eten che loro mangino
   
Onvoltooid verleden tijd Imperfetto
dat ik at che io mangiassi
dat je at che tu mangiassi
dat hij / zij at che lui / lei mangiasse
dat wij aten che noi mangiassimo
dat jullie aten che voi mangiaste
dat zij aten che loro mangiassero
   
Voltooid tegenwoordige tijd Passato
dat ik heb gegeten che io abbia mangiato
dat je hebt gegeten che tu abbia mangiato
dat hij / zij heeft gegeten che lui / lei abbia mangiato
dat wij hebben gegeten che noi abbiamo mangiato
dat jullie hebben gegeten che voi abbiate mangiato
dat zij hebben gegeten che loro abbiano mangiato
   
Voltooid verleden tijd Trapassato
dat ik had gegeten che io avessi mangiato
dat je had gegeten che tu avessi mangiato
dat hij / zij had gegeten che lui / lei avesse mangiato
dat wij hadden gegeten che noi avessimo mangiato
dat jullie hadden gegeten che voi aveste mangiato
dat zij hadden gegeten che loro avessero mangiato
   
Voorwaardelijke wijs Condizionale
Tegenwoordige tijd Presente
ik zou eten io mangerei
jij zou eten tu mangeresti
hij / zij zou eten lui / lei mangerebbe
wij zouden eten noi mangeremmo
jullie zouden eten voi mangereste
zij zouden eten loro mangerebbero
   
Verleden tijd Passato
ik zou hebben gegeten io avrei mangiato
jij zou hebben gegeten tu avresti mangiato
hij / zij zou hebben gegeten lui / lei avrebbe mangiato
wij zouden hebben gegeten noi avremmo mangiato
jullie zouden hebben gegeten voi avreste mangiato
zij zouden hebben gegeten loro avrebbero mangiato
   
Gebiedende wijs Imperativo
eet ! (tu) mangia !
eet ! (Lei) mangi !
laten we eten ! (noi) mangiamo !
eet ! (voi) mangiate !
eet ! (loro) mangino !
   
Deelwoord Participio
tegenwoordige tijd Presente
etende mangiante
   
Verleden tijd Passato
gegeten hebbende mangiato
   
Gerundium Gerundio
Tegenwoordige tijd Presente
al etend mangiando
   
Verleden tijd Passato
gegeten hebbend avendo mangiato







Citaat van de dag

"Iedere taal geeft een unieke kijk op het leven.
Un linguaggio diverso è una diversa visione della vita. "
- Federico Fellini -
(1920-1993)

Advertenties

Met de opbrengst van reclame wordt het onderhoud van de site betaald en sparen we voor nieuwe investeringen zoals geluidsbestanden.
Wilt u ook adverteren op deze site?